dsc04272-1030x772

Up in the air!

Arusha, woensdagochtend. Vanmiddag gaat m’n vlucht naar Zanzibar. Niet zomaar één – het is een vlucht in een klein Cessna B208 vliegtuigje. Gevolg van de omvang van het apparaat, is 15kg een absoluut maximum om mee te nemen aan gewicht. Altijd al een keer bedacht, nu uitgevoerd: ik heb ongeveer de helft van m’n backpack aangetrokken (3 shirts, blouses, een vest) om wat kilo’s te ‘besparen’. Whatever that means – uiteindelijk gaat alles het vliegtuig mee in.

En het werkte. Tenminste, tot zover dat ik toen nog niet wist hoe m’n vlucht ging zijn. We boarden met 12 andere vliegeniers op Arusha International Airport – al is deze benaming wel heel groots voor een paar hutjes en een landingsbaan. We wandelen old skool over de baan en wurmen ons in het compacte vliegtuigje.

Op advies van m’n collega Jeroen (“soms mag je naast de piloot zitten”) zorg ik voor m’n ‘pole-position’ achter de piloot. Op onze tussenlanding op Tanga (kustplaats Tanzania) wordt het toestel maximaal gevuld. En tijdens het boarden van de nieuwe reizigers, is het nu eenmaal handig als iedereen wat doorschuift. En zo zit ik ineens naast de piloot, op de co-piloot stoel.

Grappend zeg ik dat ik m’n vliegbrevet vandaag niet bij me heb dus niet heel veel kan betekenen tijdens de vlucht. Zijn epische reactie: “I’m sure you can, flying not hard”. We stijgen op, en kort daarna voegt de piloot de daad bij het woord. We hangen op een paar duizend meter een ik krijg ‘on-the-spot’  een spoedcursus hoogtemeters, vermogen bepalen, balanceren van het vliegtuig, stijgen en dalen.

Piloot en co-piloot kunnen exact hetzelfde en hun controle-instrumenten bewegen aan ieders kant bij iedere beweging mee. Dus kan die toerist ook best even vliegen, moet de piloot al lang gedacht hebben. Dus daar gaan we: balanceren van het toestel met de voeten, stijgen en dalen door de stuurknuppel naar je toe te trekken of van je af te duwen, en draaien aan het wiel voor het vermogen.  En ‘even’ vliegen wordt al gauw een uur. De ervaren piloot kijkt mee als ik de radar volg, het vliegtuigje kantel voor de juiste richting en de neus van de zeepkist omhoog of omlaag trek. GAAAAAAAAAAAAAAAFFF!!  (Waar de passagiers achter me kijken – of inmiddels brakend in een witte zak hangen – is me onbekend).

Een overload aan info met alle metertjes die je in de gaten moet houden – en die hoeveelheid kleren die ik aan heb blijkt toch niet erg handig in deze situatie. Spanning + veel kleren = warm.  Ik krijg nog een toetje als we boven Zanzibar hangen: we krijgen nog geen toestemming om te landen op de luchthaven omdat er een ander vliegtuigje staat. He, shit man 🙂 Ik cirkel nog een rondje met opengesperde ogen en een lach als een complete idioot – “totdat we mogen landen kun je de witte kustlijn volgen en wat rondcirkelen” is de instructie –  wat is dit mooi!

Eenmaal op Zanzibar is enkel de soort-van-immigratie op het eiland een formaliteit. Daarna is ook de rest van de dag een paradijs. Bijna letterlijk. Wat een schoonheid heeft het eiland! Iedere kier in het gangenstelsel van Stone Town ademt rust en relaxtheid.

Op straat zijn locals lekker een potje aan het dammen, worden toeristen in dezelfde relaxtheid belazerd met de beste special prices en licht over de Firangani Gardens een ondergaande zon het park en het kraakheldere water op. Ik maak nog een flinke detour door Stone Town tot ik ook mezelf echt overtuigd heb dat ik verdwaald ben en loop via een lokale vismarkt, voetbalvelden en tal van islamatische gebouwen terug naar m’n hostelletje. Beladen met een goeie Afrikaanse / Indiase maaltijd en herinneringen als plaatjes uit een commercial, gaat deze jongen plat. Sweet Zanzibari dreams about reality.

 

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply