A real life aquarium

Fight the time. Vanmorgen om half 6 uit bed om te snorkelen. Ali, een lokale strandganger die er niet in slaagt om binnen het Zanzibariaanse extra uurtje op te dagen, wordt ingewisseld voor een andere captain. Met goed geweld varen we naar Mnemba, een eilandje ten noorden van Matemwe. Het is een privé-eiland en mag niet worden betreden door het plebs, maar wat rondsnorkelen langs de kust mag. Het mini-eilandje lijkt de schoonheid tot zover nog eens te overtreffen met een azuurblauwe kust.

Ik krijg al een liter water binnen als ik onder water m’n mond open van verbazing. Wroaawl, zout. Zebravisjes, prachtig uitgegroeid koraal, vissen in alle kleuren en de hele onderwatercultuur houden me de komende twee uur in bedwang. En m’n captain ook, die ik heb gevraagd wat foto’s te maken. Waar ik niet bij stilstond, is dat ik niet had aangegeven van wie. En dus heb ik ook wat profile-pictures-in-spe van de gezellige stuurman op m’n flashcard (ook wat foto’s van mij spartelend in het water overigens). Genieten boven en onder water!

We hebben nog wat tijd, dus bezoeken we de lokale vismarkt nog even. Van Afrikanen die op het strand het laatste leven uit de inktvissen smashen tot aan een soort van hal waar tientallen Zanzibarianen staan te kijken naar een goeie lading vissen. Er wordt wat gewogen, een marktkoopman neemt de tijd om me alles te vertellen over hoe het hier werkt en er worden deals gesloten.

Say wha?
Alles komt goed. Die garantie krijg ik van de taxichauffeur als we kort voor m’n vlucht bijna onmogelijk vastrijden in de blubber. Hij heeft immers “vanmorgen gebeden heeft voor een behouden rit”. Alles komt ook goed voor het geval we gestopt worden door de politie: dan ben ik een inwoner en student uit de Tanzaniaanse stad Arusha – anders moeten we de agenten met hogere geldsommen omkopen. That’s the manual for the day.

De verschijning van de taxichauffeur die me naar de luchthaven rijdt, maakt me vrolijk. Het is vrijdag, de heilige dag voor moslims. En hij heeft z’n mooie witte pak aan. Toffe vent die me naar de even lugubere als beruchte slavengrotten brengt.

Na een ritje door de modder verkennen we de omgeving waar nog niet eens zo lang geleden hele nare dingen gebeurden. Hoe klein we van omvang als Nederland zijn, des te verbazingwekkender is ons verleden in slavenhandel. En om in Balkenendes woorden te blijven: die VOC-mentaliteit was er. Niet positief. We zijn bij de slave caves van Zanzibar, waar vele mannen in barre omstandigheden letterlijk werden opgeslagen voordat ze een enkele reis wind-mee op de boot kregen naar Arabische landen. Indrukwekkend, maar het geeft ook een akelig gevoel om daar binnen te staan.

Contrast is dan wel weer de guide die praktisch niks wist. Aantallen slaven, waar ze precies heen gingen, hoe de omstandigheden op het kamp waren – ik vraag ‘m de oren van z’n kop. Zonder veel voldoening, want iedere vraag wordt beantwoord met ‘yaaaa….nothing is reported about that’. Ah, ’t is in ieder geval een indruk. En veel mag ik niet verwachten van een rondleiding van minder dan een euro.

Op weg naar de luchthaven merk ik op dat de chauffeur nogal zenuwachtig is. Kijkt wat vluchtig rond en checkt z’n klokje met regelmaat. Vooral laatste – op je klok kijken op dit eiland – baart me zorgen. Hij blijkt te twijfelen of-ie kan vragen of we even kunnen stoppen omdat-ie in de moskee moet bidden. Kort nadat ik ‘m volmondig JA zeg dat-ie de moskee in kan, wacht ik aan de kant van de weg terwijl ik op de achtergrond ‘Allah akhbarrr’ hoor. ’t Is een setting waar ik een beetje melancholisch van word: lichte moesson, een zonnetje dat voorzichtig over de weg schijnt en het dagelijkse leven op straat. Reflectie op m’n reis – 5 weken zijn snel gegaan!

De Cessna staat klaar voor de vlucht terug naar Dar-es-Salaam. Dit keer geen copiloot-acties van ondergetekende, maar ik weet dat ik vliegavonturen vanaf nu toch weer een stukje anders beleef. De rust waarin ik zit wordt nog even opgeschrikt door een ritje in Dar-es-Salaam tussen twee luchthavens. De beste buschauffeur lijkt het Guinness Book of Record snelpraten op z’n naam te hebben staan. Tof dat-ie daarom de hele geschiedenis van Nederlanders in de Premier League samenvat in een rit van 10 minuten 🙂

De laatste stukjes Afrika passeren. Nog even wat formuliertjes bij immigratie, onsamenhangende wisselingen van gates en bij binnenkomst in het vliegtuig een “maar we zijn helemaal nog niet klaar met opruimen, ga maar even terug de wachthal in”. We doen voor de derde keer Nairobi aan als tussenstop.

Nadat we definitief koers maken naar Amsterdam, realiseer ik me een paar simpele dingen. Simpele dingen met grote impact. Deze reis voelt compleet. En ik voel me ontzettend bevoorrecht dat ik ’t heb kunnen doen!

Zanzibari style

Dit wordt m’n kortste blog. En ik draag ‘m op aan m’n hangmat. Dat schrijf ik nu, maar dat wist ik al toen ik in het noorden van Zanzibar 20 meter achter m’n hostel voor ’t eerst het strand en de zee zag.

Vandaag ben ik in Matemwe, de regio van het eiland waar het nog niet wit ziet van de toeristen, maar waar Zanzibar nog Zanzibar is. Ik heb een geweldig ritje met een taxichauffeur achter de rug die in basis Engels uitlegt waarom de ‘spoorlaan’ van Stone Town de Boom Boom Boom Road heet (de motor van de trein maakte dat geluid). Na een kennismaking met het gezinnetje dat het hostel (drie blokhutten) draait, zit ik de laatste regendruppels uit om de rest van de tijd te genieten van een geweldig zonnetje. Het strand is zo goed als een privéstrand, door het ultieme laagseizoen waarin ik reis. Rustgevend 🙂

Say wha?
De schoonheid van het eiland lijkt niet voor heel lang te zijn, maar onder te gaan aan ongereguleerde expansie van hotelketens. Er is letterlijk geen enkel beleid over wat mag en wat niet mag. Toerisme = geld, en hoe lang het goed gaat lijkt de Afrikanen minder uit te maken. Doodzonde hoe plat toerisme een natuurwonder vernietigt.

Rustgevend is ook m’n hangmat. Fantastisch om een hele dag niks te doen. Even de Afrikaanse gedachten een plekkie geven en de routine van Nederland nog twee dagen vooruitschuiven 🙂

Up in the air!

Arusha, woensdagochtend. Vanmiddag gaat m’n vlucht naar Zanzibar. Niet zomaar één – het is een vlucht in een klein Cessna B208 vliegtuigje. Gevolg van de omvang van het apparaat, is 15kg een absoluut maximum om mee te nemen aan gewicht. Altijd al een keer bedacht, nu uitgevoerd: ik heb ongeveer de helft van m’n backpack aangetrokken (3 shirts, blouses, een vest) om wat kilo’s te ‘besparen’. Whatever that means – uiteindelijk gaat alles het vliegtuig mee in.

En het werkte. Tenminste, tot zover dat ik toen nog niet wist hoe m’n vlucht ging zijn. We boarden met 12 andere vliegeniers op Arusha International Airport – al is deze benaming wel heel groots voor een paar hutjes en een landingsbaan. We wandelen old skool over de baan en wurmen ons in het compacte vliegtuigje.

Op advies van m’n collega Jeroen (“soms mag je naast de piloot zitten”) zorg ik voor m’n ‘pole-position’ achter de piloot. Op onze tussenlanding op Tanga (kustplaats Tanzania) wordt het toestel maximaal gevuld. En tijdens het boarden van de nieuwe reizigers, is het nu eenmaal handig als iedereen wat doorschuift. En zo zit ik ineens naast de piloot, op de co-piloot stoel.

Grappend zeg ik dat ik m’n vliegbrevet vandaag niet bij me heb dus niet heel veel kan betekenen tijdens de vlucht. Zijn epische reactie: “I’m sure you can, flying not hard”. We stijgen op, en kort daarna voegt de piloot de daad bij het woord. We hangen op een paar duizend meter een ik krijg ‘on-the-spot’  een spoedcursus hoogtemeters, vermogen bepalen, balanceren van het vliegtuig, stijgen en dalen.

Piloot en co-piloot kunnen exact hetzelfde en hun controle-instrumenten bewegen aan ieders kant bij iedere beweging mee. Dus kan die toerist ook best even vliegen, moet de piloot al lang gedacht hebben. Dus daar gaan we: balanceren van het toestel met de voeten, stijgen en dalen door de stuurknuppel naar je toe te trekken of van je af te duwen, en draaien aan het wiel voor het vermogen.  En ‘even’ vliegen wordt al gauw een uur. De ervaren piloot kijkt mee als ik de radar volg, het vliegtuigje kantel voor de juiste richting en de neus van de zeepkist omhoog of omlaag trek. GAAAAAAAAAAAAAAAFFF!!  (Waar de passagiers achter me kijken – of inmiddels brakend in een witte zak hangen – is me onbekend).

Een overload aan info met alle metertjes die je in de gaten moet houden – en die hoeveelheid kleren die ik aan heb blijkt toch niet erg handig in deze situatie. Spanning + veel kleren = warm.  Ik krijg nog een toetje als we boven Zanzibar hangen: we krijgen nog geen toestemming om te landen op de luchthaven omdat er een ander vliegtuigje staat. He, shit man 🙂 Ik cirkel nog een rondje met opengesperde ogen en een lach als een complete idioot – “totdat we mogen landen kun je de witte kustlijn volgen en wat rondcirkelen” is de instructie –  wat is dit mooi!

Eenmaal op Zanzibar is enkel de soort-van-immigratie op het eiland een formaliteit. Daarna is ook de rest van de dag een paradijs. Bijna letterlijk. Wat een schoonheid heeft het eiland! Iedere kier in het gangenstelsel van Stone Town ademt rust en relaxtheid.

Op straat zijn locals lekker een potje aan het dammen, worden toeristen in dezelfde relaxtheid belazerd met de beste special prices en licht over de Firangani Gardens een ondergaande zon het park en het kraakheldere water op. Ik maak nog een flinke detour door Stone Town tot ik ook mezelf echt overtuigd heb dat ik verdwaald ben en loop via een lokale vismarkt, voetbalvelden en tal van islamatische gebouwen terug naar m’n hostelletje. Beladen met een goeie Afrikaanse / Indiase maaltijd en herinneringen als plaatjes uit een commercial, gaat deze jongen plat. Sweet Zanzibari dreams about reality.

 

Asante sana!

Ngorongoro krater calling. Nog iets eerder dan gisteren vertrekken we voor de afdaling. Tenten in het donker neerhalen, lekker ontbijtje en de jeep in! Het blijft verbluffend en leerzaam om te zien hoe vrolijk de Afro’s iedere ochtend zijn. Tent op je nek, tegelijkertijd eitje aan het bakken, en nog steeds klaarstaan voor iedere vraag en grap die je wilt delen. Big up!

We cruisen een eindje als we de act van de dag tegenkomen: de neushoorn. Al is-ie op afstand, een machtig beest is het. ‘t Is bijzonder triest tegelijkertijd dat z’n hoorn meer waard is dan dezelfde hoeveelheid goud, wat ook meteen de enorme schaarste van de dieren hier verklaart.

Ze zijn even schuw als immens sterk, wat ook geldt voor de nijlpaarden verderop. Naast onze lunchplaats ligt een dertigtal rakkers lekker te badderen. Hoe schattig het ook klinkt, pootje baden bij de dikkers is geen best idee. Mensenkiller # 2 van de Afrikaanse wildernis (nummer # 1 is de mug – altijd leuk raadseltje voor aan de staantafel op verloren feestjes, maar dat terzijde).

Say wha?
Altijd grappig om te zien hoe je ook zelf zo’n safari doormaakt. Zo sta je tijdens het eerste uur op maximale zoom onmogelijke foto’s te maken van een gazelle 300 meter verderop, en zo staan er kuddes zebra’s om je jeep terwijl je niet eens verbaasd meer bent. It’s all about reference 🙂

We krijgen de krater op z’n best met wildlife tammer dan ooit. Beesten overal – het scheelt dat we in de eerste migratieperiode van het jaar zitten.

Encyclopedie Bennie raast erop los en vertelt ons alles over de wildernis. En ‘n Hollandse conclusie ‘heel veel waarde voor je geld’ is op z’n plaats. Geweldige mensen ontmoet en het puurste van Afrika op m’n netvlies gebrand.

Asante sana (Swahili: enorm bedankt)!!

Morning game drive

Maandag, 6 uur in de ochtend. Ik ga hier nog een keer goed in worden! We staan alweer naast onze tentjes terwijl het nog donker is. We vertrekken vroeg voor een ‘morning game drive’ – een ritje om het wild letterlijk uit de veren te zien gaan. En wakker worden krijgt een nieuwe dimensie met de eerste straaltjes van de zon op de Serengeti. Wawawiwa!

Familie leeuw meldt zich opnieuw. Niet om te jagen vandaag – ze liggen lekker op hun gemakje. Net als de andere 20 uur van de dag 🙂 We zijn op zoek naar de neef van het gezelschap: het jachtluipaard. Want hoezeer je jezelf ook tegenhoudt, vroeg of laat kom je in een beestachtige Big-Five mentaliteit. Feit dat we ‘m niet gespot hebben mag de pret niet drukken. Genoeg te compenseren met nieuwe buffels, struisvogels, hilarische dikdiks, zebra’s en olifanten.

Halverwege de dag verlaten we de Serengeti voor een uitgebreide tocht door de Ngorongoro-krater. Een immense put vol wildlife en vanaf de ‘ring’ van de krater een enorm uitzicht. Verreweg het verste uitzicht dat ik ooit heb gehad. Foto hier, gesprekje met Parijzenaren daar, lunchbreaks in de middle of nowhere en jezelf steeds weer laten verrassen. De onvoorspelbaarheid van een safari is goud waard!

Say wha?
Feit na feit. Dankzij guide Bennie. Een giraffe wordt zelden aangevallen door leeuwen. De beesten zijn namelijk in staat om met een enkele trap een leeuw uit te schakelen. Als alternatief kunnen ze ook met 50km/u wegrennen. Zou je niet zeggen als je de 5 meter lange onschuldige langnek ziet. Impressive…

Laatste geldt ook zeker voor ons nachtverblijf. We staan op de camping op de rand van de krater, dichtbij een dorpje van de Masaai-strijders. ‘Het gras is groener bij de buren’ moet hier gezegde nummer één zijn, want ik heb nog nooit zulke mooie kleuren gezien. Een stokoude boom kietelt de geest en ik begin nog wat te schrijven. Tussendoor concluderen we met de drie Hollanders dat een omgeving amper idyllischer kan zijn dan dit, zittend als drie Newtons tegen de uit te kluiten gewassen eik. Brilliant.

Awoooohhhhh!

Hup, tenten in de jeep. Lake Manyara was een begin, wordt vandaag meer dan duidelijk. We scheuren de Serengeti in, via de Ngorongoro krater. Flinke hobbeltocht, maar er is onderweg altijd iets om naar te kijken. Gazelles, zebra’s en wildebeests balken je in monotoon geluid tegemoet. Zo tussen de beesten geeft wel het echte National Geographic gevoel.

We staan inmiddels continu in de jeep en staren over oneindige vlaktes (Serengeti is ook Swahili voor oneindige vlakte). Half Nederland aan droge vlakte, en op iedere meter kans op beesten. We zitten aan het eind van het regenseizoen en gaan wel richting de droogte, maar alles is nog flink begroeid. Regelmatig komt ‘t dus ook voor dat je de dieren niet ziet. Maar guide Bennie is scherper dan ooit, en spot tussen z’n manoeuvreerkunsten door het beste wild.

Say wha?
Onder het genot van een ondergaande zon, eindeloos uitzicht, giraffen in silhouet, gefluit van exotische vogels en een bonkend hart van plezier, rijden we naar onze staanplaats voor de nacht. En die is op de Serengeti. Parken zijn niet omheind, dus praktisch staan we met onze simpele tentjes tussen het wild. Guide Bennie vertelt ons dat het weinig voorstelt: de beesten zien de tenten als object en laten reizigers doorgaans met rust. En als je ‘s nachts naar de wc gaat: zaklamp mee, en van onder je lichaam naar boven schijnen: maakt je groter als je een paar lichtgevende ogen tegenover je hebt. Met gemengde gevoelens – enthousiasme en kick op nummer 1 – kruipt iedereen z’n tentje in 🙂 Hyenagehuil klinkt van dichtbij, en een baboon krijst om 03.00 AM van dichtbij m’n tent. We mogen ‘t vanaf nu zeker avontuurlijk gaan noemen 🙂

Zo een kudde buffels, tal van hippo’s en: veel leeuwen. We spotten een leeuw met z’n verse vangst: een gnoe die het laatste licht heeft gezien. De leeuw blijkt z’n tijd te verdelen over het bewaken van z’n prooi (de roofvogels zijn meteen in de buurt) en z’n jongen. Die blijken even verderop te zijn, in veertienvoud. Even later zitten we in onze jeep omringd door leeuwen. Spectaculair!

Woorden schieten te kort, dus daarom doen we het vandaag met veel, heel veel mooie beelden. Life’s good!

Safari!

7 reizigers, 1 guide, 1 kok/alleskunner en 1 flinke jeep waarin je tijdens apocalypse nog grote kansen hebt. ‘t Is tijd voor de safari! Ik word om 9u ‘s ochtends opgehaald bij m’n hostel. Guide Bennie heeft vanaf het begin het woord en is een wandelende database van alle dieren en alle bomen die je ooit gezien hebt, heeft een betere driving skill dan een rallyrijder en zintuigen scherper dan een samuraizwaard.

De komende 4 dagen doen we 3 grote locaties aan: Lake Manyara National Park, het Ngorongoro reservaat en Serengeti National Park. Voor vandaag Lake Manyara, bekend om de vele baboons (de huis-tuin-en-keuken-aap van Afrika) en nijlpaarden. Eerst maar een stukje rijden. Onderweg maken we met z’n allen kennis met elkaar. Aan boord: twee Canadezen, twee Fransmannen, en natuurlijk ook twee Nederlanders. Big fun! Gemixt gezelschap en iedereen gaat lekker relaxt met elkaar om. We lunchen met z’n allen een zeer goed verzorgde maaltijd weg (trend die consequent werd voortgezet) en maken kennis met de camping voor die nacht.

Say wha?
Guide Bennie heeft een goeie dosis humor waarmee-ie het hele safarigezelschap vermaakt. Als we ergens halverwege stoppen en we vrezen dat de auto aan de achterkant aan gruzelementen is gegaan, is Bennie gewoon even pissen. Of, zoals-ie het zelf graag mag noemen: “checking my spare tires”. Geweldige vent 🙂

Lake Manyara is een feest. Niet meteen omdat er nu nu zo extreem veel wild zit, maar meer omdat alles voor het eerst is. We worden bestormd door kolonnes apen, zien ineens moeder met baby-olifant een modderbad nemen en spotten tussendoor wat giraffen. Geweldig om zo dichtbij de ervaren, en bijna een rsi-wijsvinger van het maken van foto’s. Pure stilte vult de omgeving: iedereen is simpelweg te verbaasd om luid te reageren, en laat het ook wel uit z’n hoofd: je wilt niet dat de prachtige beesten er vandoor gaan. De safari-jeep doet z’n naam eer aan: we klappen het dak open en staan uren lang om ons heen te kijken terwijl guide Bennie met de 4×4 de modder doorploegt, ommetjes voor ons maakt, tussendoor alle dieren spot en een heuse Wikipedia voor ons is. In vertelstand.

Bij zonsondergang staan we op de camping. Na een heerlijk dinertje spelen we onder het genot van een Kilimanjaro pils met de Canadezen en Hollanders meerdere potjes toepen: de trend voor de late uurtjes tijdens de rest van de safari. ‘Canadian touping’, om precies te zijn. Heel mooi om weer te kamperen overigens: weinig toffer om zo in de buitenlucht en in zo’n omgeving te slapen. We pakken onze uurtjes om de volgende dag topfit te verschijnen voor day 2. Truste!

Say wha?
Prachtig hoe de natuur werkt. Zebra’s en gnoe’s die tegelijkertijd migreren, waarbij de zebra door z’n goede geheugen de route uitstippelt. Ze zijn door evolutie al geen concurrentie meer op de Serengeti. De natuur heeft ze namelijk geleerd dat het ene beest de bovenste stukjes, en het andere beest de onderste stukjes van de grassprieten het lekkerst vindt om op te eten.

Bakkie?

Het eerste bakkie koffie smaakt naar meer vandaag. De koffietour start om 08.00 AM bij het koffiecafeetje dat ik gister ontdekt heb. Even aanmelden en de volgende dubbele espresso in ontvangst nemen. Kilimanjaro’s finest! In combinatie met echt té vriendelijk personeel is het genieten. Onder wie een medewerker van formaat van de held uit de Uncle Ben’s (?) reclame. Hij wordt door het cafépersoneel geïntroduceerd als de alwetende op koffiegebied. Balen dat-ie beperkt Engels spreekt 🙂

Patrick is de chauffeur vandaag. En een zware rechtervoet heeft-ie. Een goeie kudde koeien mag van geluk spreken dat ze nog rondhobbelen. En wij dat onze auto met inhoud er langs is gescheurd. Eenmaal op locatie ontmoeten we Joseph, met wie we – inclusief taxichauffeur – nog een kannetje koffie wegtikken. Patrick blijkt ‘n slimme vent te zijn – het is de eerste Tanzaniaan met wie ik volzinnen Nederlands spreek. Volop energie stuiteren we weg: start van de koffietour. Het hele proces van plukken van de koffiebessen (rood = plukken; groen = laten hangen) voeren we uit. M’n 2 meter is ineens praktisch in de Afrikaanse jungle: de meest onmogelijke bessen zijn voor mij. Ik schiet intussen nog een kiekje en ben verbaasd van hoe schuchter de lokale bevolking in de dorpjes is; zelfs even toestemming gevraagd om te sluiter over te halen.

Say wha?
In een waterval van feiten over koffie (walhalla!) komt ook de prijs van de koffie langs. Joseph is zelf ook koffieboer en levert aan Fair Trade handelaren. Dat betekent voor hem dat-ie een bedrag ontvangt dat redelijk is en dat-ie niet wordt uitgeknepen door argeloze multinationals. Tot een bepaalde hoogte, vanzelfsprekend. Verschillen zijn namelijk nog steeds enorm. Joseph ontvangt voor 1 kilo (=25 bakken koffie) omgerekend minder dan 1 euro. Een hele keten van dozen schuiven, transport van A tot Z, tussenhandelaren en exotische koffienamen verder, ontvang je bij Starbucks een kopje voor minstens 3,50 euro. Prijs gaat letterlijk tientallen malen over de kop.

Na het plukken, meerdere laagjes van de bes verwijderen, malen, spoelen, branden en fijnmalen, hebben we ons eigen heerlijke bakkie Tanzaniaanse leut. Zwart goud, zoals je het hier rustig mag noemen. Letterlijk een heerlijke ervaring! Het blijkt een starter, omdat er ook nog een super lunch bereid wordt. De partnerboom van de koffiebomen is namelijk de bananenboom. Door het grote blad beschermt-ie de koffie-in-spe van de zon. Gevolg: ze doen alles met bananen hier. Naja, bijna alles. Denk ik. In ieder geval, de groene halfrijpe banaan wordt gebakken en is bijna hetzelfde als aardappel qua textuur en smaak.

Say wha?
Typisch hoe ‘native’ sprekers – Engelsen en Amerikanen – het niet voor elkaar krijgen om hun moedertaal aan te passen naar het Afrikaans Engels. Het gaat niet om volzinnen, maar om steekwoorden: “Beer for me please” ipv “Well, I was just wondering if there was any chance that you are providing some, well, like, euaahmm, beers, you know, down here”. Ain’t working, buddy.

Goeie basis voor de terugreis. Waarop ik terwijl op goeie snelheid door de bergen en passen scheuren een ‘Rotterdam supermarket’ spot, ik (zoals eigenlijk overal) Afrikanen zie die gewoon lekker langs de kant kunnen zitten ‘as if they don’t care’ en waar ieder schooltje, bedrijfje, vereniging of winkel een misson, vision en slogan op de muren geschilderd heeft. Simpele busritjes blijven genieten! Yep – zelfs met een truck die een half uur lang voor ons rijdt en dieselgassen spuwt. Ach 🙂

Improvise!

Tas klaar, laatste studies Big Five gedaan, doorgeladen fototoestel gereed, dus laat die jeep maar komen! Maar iets zegt me dat een pak niet de dresscode is van een safari, als de eigenaar van ‘t bureau m’n hostel binnenkomt. Balen, safari wordt uitgesteld naar zaterdag. Reden: twee van de mede-safarigangers hebben malaria. Of whatever reason. Goede hoop houden op de safari later, nu is ‘t tijd voor improvisatie 🙂

Een uurtje later zit ik in de bus naar Moshi, een bekend Tanzaniaans stadje omdat ‘t aan de voet van de Kilimanjaro ligt. Ik ga m’n twee dagen hier doorbrengen en ik lijk genoeg uurtjes in de stad te krijgen van de buschauffeur – we rijden op godspeed door de dalen. ‘t Is eigenlijk even lachwekkend (al-les rammelt) als levensgevaarlijk. Toch heeft de Masaai-strijder die voor  me in de bus op de stoelen ligt, weinig besef van de situatie. Hij knort lekker door met z’n rode laken omgeknoopt. De wereld wordt een eenheidsworst met deze mensen die ook koekjes eten en tickets voor OV hebben. In mijn beleving renden de stamleden nog steeds alleen achter buffels aan. Gebeurt ook – maar hier even niet 🙂

Vandaag is niet de dag van het goeie nieuws. Dat weet ook de receptioniste als ik in dit bodem-laag-seizoen m’n Hollandse graantje wil meepikken. De na onderhandeling halvering van m’n kamerprijs komt met een prijskaartje: ik krijg bij binnenkomst enkel een welkomstgrom voortaan.

Say wha?
Goeie les vraag en aanbod in Moshi. Zonnebrand wordt niet gebruikt door de kleurlingen – enkel door de toeristen die in het stadje komen. Aangezien ik harder vervel dan een cobra, is het toch tijd voor wat extra bescherming. Voor een flesje zonnebrand blijk je echter zeker 4x goed te kunnen eten (EUR 15)…

Ach, het zonnetje schijnt heerlijk vandaag. En dat komt het zicht van de monsterberg Kilimanjaro ten goede. Wat een gigantisch ding is het! Het dak van Afrika schittert over het zachte stadje. Tanzania voelt ook na deze stad meer welvarend aan dan Kenia. Mensen zijn beter gekleed, infrastructuur is beter en gebouwen zijn degelijker.

Say wha?
Iedereen in Arusha kan een beetje Nederlands. Als je boven 1,90m bent, word je al snel met “Hoe ghahat hut” of “Van Persie” begroet. Of, in mijn geval: “Hey, Peter Crouch!! Are you his brother?”

Daarnaast brengt de koffie enorm veel sfeer: de lokale koffie wordt door een vereniging van producenten (Union Coffee) beheerd. Resultaat mag er zijn: geweldige smaak en een keiharde energizer 🙂 Reden genoeg om voor morgen een koffietour te boeken. De rest van de dag loop ik wat marktjes af en is het vooral genieten van de relaxte mentaliteit op locatie.

M’n avondwandeling door de stad maakt het zicht op de berg beter dan ooit en is echt verbazingwekkend mooi. De kleine momenten waarop iedere camera tekort schiet. Het feest gaat door in een zeer lokaal Indiaas restaurant waar een goddelijke curry wordt geserveerd en waar een Afrikaanse bruiloft komt langsgereden: een pickup truck vol met trompettisten en enkel vreugde. Prachtig!

Zhe Ghermans…

Een beetje niet-Afrikaanse dag vandaag: we starten fris en bewolkt. Toch het laatste stukje regenseizoen dat ik meepak – al mag ik heel blij zijn met wat ik tot nu toe eb gehad. We beginnen praktisch met een retourtje vliegveld om een minivliegtuigje naar Zanzibar te boeken. Typisch om juist daar de meest chagrijnige westerling in eeuwen tegen te komen. De dude blafte achter z’n bureautje alsof-ie in één dag z’n hele klantenbestand wilde kwijtraken. Het zal de regen wel zijn. Op een rieten stoel achter een desktop pc’tje wordt mijn ticket geboekt. Het vliegveld is zo basic als het maar zijn kan, maar ‘does the job’.

Say wha?
Rare situatie op straat als je (in minder toeristische stukken) na dagen rondlopen een blanke tegenkomt. Het geeft een soort stomme reflex om te begroeten, maar daar houd ik mezelf vanaf. Gewoon omdat het echt nergens op slaat.

De rest van de dag is ‘as it comes’: beetje rondwandelen, wat Tanzaniaanse specialiteiten uitproberen en een museum ingedoken. National Gallery van Tanzania, en behoorlijk indrukwekkend. Het ‘dus ook hier’-gevoel duikt meteen op, op de expositie van de Duitse bezetting. Eind 19e eeuw tot aan het einde van WOI is er German-style geregeerd in Tanzania. Dat betekent dat al het topoverleg in Europa plaatsvindt en de locals he-le-maal niks in te brengen hebben. Een land wordt letterlijk uitgebuit. De Afrikanen kwamen er op alle fronten slecht vanaf. Op hoog niveau werden ministers misleid in bewust foutieve Swahili – Duitse vertalingen. Op lager niveau sloegen dwangarbeid, opleggen van het christendom en lijfstraffen de klok. Vanuit de ‘Boma’, het huidige museum, regeerden de Duitsers de stad en leidden ze een prinsenleventje.

Say wha?
ARBO-nieuwe stijl in Afrika. Een gast hangt aan een takel, 10 meter boven de grond, en om van het dak naar beneden te komen hangt-ie aan de haak. Waarom een ladder nodig, precies? Easy. Wel even goed vasthouden.

Toch was er na 1918 – toen ‘Aruscha’ weer ‘Arusha’ werd – iets wat bleef: infrastructuur. Tanzania is in vergelijking met Kenia een opvallend schoon land met een degelijke infrastructuur en opvallende bouwwerken.

Ik heb m’n lading feitjes weer gehad en kan met een gerust hart op één oor. Op naar de leeuwen.